Zo nu en dan overvalt je een apocalyptisch gevoel. Dan slaat de schrik om je hart en vrees je dat het einde nabij is. Als er maar geen oorlog komt, denk je, nu de spanningen tussen Rusland en Oekraïne opnieuw hoog oplopen. Als het maar goed gaat met de vrede in Noord-Ierland na de Brexit. Ook individueel zitten sommige vluchtelingen in een apocalyptisch niemandsland: Ieder moment kunnen ze schrikken van de klop op de deur om uitgezet te worden. Je vraagt je af: waarom komt er geen kinderpardon voor die vierhonderd kinderen?
Franciscus waarschuwt eveneens voor zulke momenten. In de eerste redactie van zijn brief aan de gelovigen waarschuwt hij voor het einde der tijden, meer specifiek voor de foltering in de hel die de goddeloze te wachten staat (1 BrGel 2,15-18). In de herfst van het kerkelijk jaar (33ste zondag en de 1e advent) wordt ook gesproken over de verschrikkingen waarin de zon verduisterd wordt en de maan geen licht meer zal geven. De volkeren zullen dan in angst verkeren, ‘radeloos door het gebulder van de onstuimige zee.
De advent die voor de deur staat is een tijd van verwachting, van het niet verliezen van de hoop ondanks al het dreigend onheil om je heen.
Angst en schrik voor onheil, op welke wijze ook, is blijkbaar van alle tijden. Tegelijk proberen de teksten hoop te geven. Wees waakzaam, zegt de adventstekst, let op de vijgenboom, stelt de 33ste zondag. Het is als met de herfst die we nu weer meemaken. Als de bladeren van de boom vallen, kun je, als je goed kijkt, waar het blad zat al het begin zien van een nieuwe knop.
In 1938 schilderde Marc Chagall zijn witte kruisiging. Een indrukwekkend schilderij met huizen omgekeerd, paarden in de lucht en mensen op de loop. Maar te midden van vuur en verwoesting staat daar het kruis met Christus gehuld in een joodse gebedsmantel als lendendoek, die vanuit de hemel wordt belicht. De advent die voor de deur staat is een tijd van verwachting, van het niet verliezen van de hoop ondanks al het dreigend onheil om je heen.
geruchten
verschrikkingen, ze zijn van alle tijden
verminkte paarden dravend door de lucht
de zon gevlucht en huizen vlammend om-
gekeerd, er kruipen maden uit de lijken
wie kan vertrekt, de hete adem van
de duivel op zijn rug, men gaat, geen nacht
te koud, geen zee te woest, geen pad te ver
geen hek te hoog, want hoop verdrijft de angst
en in de wolken van vertwijfeling
ontwaart men soms een scheur, wat licht breekt door
er vallen blad’ren van een boom, men ziet
een knop, klein houvast voor een vluchteling
gedreven door een droom strompelt men voort
en drinkt geruchten bij gebedeld brood
peter vermaat