[SCHILDERIJ VAN ARTHUR REMMIG UIT RHOON]
Op 25 juli 1868 werd Jan Witte geboren in Hoorn. De komende maand is dat 150 jaar geleden. Een heuglijk feit dat in het klooster van Megen zal worden gevierd. Jan Witte is daar bekend geworden onder zijn kloosternaam Everardus, maar in de volksmond werd hij altijd ‘’t heilig bruurke’ genoemd. Officieel heilig verklaard is hij niet. In de jaren zestig van de vorige eeuw stopten de franciscanen met het proces van heiligverklaring omdat ze het niet meer van deze tijd vonden. Wel jammer eigenlijk, want als Everardus heilig verklaard zou zijn, zou hij daarmee laten zien dat een heel eenvoudig mens ook een heilige kan zijn. Maar misschien heeft hij die verklaring ook wel niet nodig. Voor het gewone volk is hij immers al lang heilig.
Bijna zijn hele leven heeft Everardus in Megen gewoond en gewerkt. Zijn voornaamste bezigheid was portier, maar hij deed ook het voorkomend schilderwerk en maakte religieuze kunst. Een kleine anderhalf jaar (van 1917 tot 1918) zat hij als portier in Woerden en Heerlen. Voor Everardus was deze overplaatsing geen leuke tijd. Hij had moeite met de veranderingen in de orde. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog werden de strenge kloosterregels van weleer losgelaten. Gebed en versterving maakte plaats voor dienstverlening. Paters gingen assisteren in parochies buiten het klooster en als iemand vroeg wanneer de een of andere pater weer terug zou keren in het klooster, dan wist portier Everardus het niet. Dat maakte hem onzeker. Na een half jaar Woerden ging hij naar Heerlen. Daar vond hij het nog erger. De Poolse, Sloveense en Italiaanse mijnwerkers kon hij niet verstaan. Het Limburgs dialect evenmin. Hoe kon hij hier nog raadgever zijn voor de eenvoudige mens? Steeds moest hij er iemand anders bij halen om te weten wat er nu weer werd gevraagd. Het schoonmaken van het klooster schoot er daardoor bij in. Tijd voor mediteren en gebed, wat hij het liefste deed en waar hij ook echt goed in was, kreeg hij steeds minder. Het gedicht ingelopen löss, een van de zeven sonnetten die ik heb geschreven ter nagedachtenis van zijn leven, gaat hierover:
ingelopen löss
onrustig werd de tijd toen de portier
naar woerden kwam, een volgeschreven lei
zag hij, een hok met bijen duiven mieren
en vroeg men hem waar ieder was of zwierf
kon hij geen antwoord geven, radeloos
werd hij, onzeker kon de druk niet aan
zijn moeder ziek, nog pas een broer gestorven
de stilte vloeide weg en nergens troost
hij mocht naar heerlen alles was daar vreemd
een klooster om de werkers in de mijn
nabij te zijn, men sprak limburgs sloveens
pools, hij verstond geen woord zag wel verdriet
maar kon geen toeverlaat zijn, ingelopen
löss in de gang, zelfs vegen lukte niet