Als ik het journaal mag geloven, worden de tenen langer en de lontjes korter. Een tweede golf van het coronavirus maakt mensen zowel banger als kwader. Politici en handhavers worden bedreigd en uitgescholden. Zelfs een burgemeester roerde zich in dit debat. Hij vond dat de deskundigen een tijdje hun mond moesten houden. Iedereen moet immers afstand houden. Waarom kunnen de deskundigen die elkaar toch maar tegenspreken, niet wat meer afstand nemen van hun mening? Het lijkt wel of een panische angst zich van ons meester maakt. De angst, word ik al dan niet ziek, de angst, kan ik verder met mijn werkzame leven? Veel mensen lijken bang te zijn de greep op hun bestaan kwijt te raken.
In vroegere tijd was het eenvoudiger. Ook toen had je besmettelijke ziekten, maar men hoopte dat te kunnen bestrijden met boetedoening en devoties. Centraal in het leven van veel mensen in de oudheid en de middeleeuwen stond God. Die zou er wel een bedoeling mee hebben. Bovendien verwachtte menigeen na dit leven vol ontberingen een gelukkiger hemelse tijd. Sinds Descartes zijn methodische twijfel in stelling heeft gebracht, is echter veel in het leven onzeker geworden. Nietzsches bewering dat ‘God dood is’ maakte het er niet beter op. Een tijd lang heeft het erop geleken dat de mens nu het laatste woord heeft. Gezag had afgedaan, zeker het door God gegeven gezag. Met de val van de bijl van de guillotine in 1793 werd niet alleen Lodewijk XVI onthoofd (kleinzoon van de Zonnekoning, die nog kon roepen ‘de staat dat ben ik’) maar werd de machtspiramide omgekeerd en kwam het fundament ervan bij het volk terecht. De geest was uit de fles, schrijft Ger Groot, in zijn gelijknamige boek. Want het volk blijkt een kakofonie van stemmen te zijn en iedere stem vindt dat zijn mening ook gehoord moet worden.
We zijn maar een schakeltje in een veel groter verband
En dan is er nu het virus. Haast net zo onzichtbaar als ooit God. Die onzichtbare kracht, die niet eens leven op zich is, brengt ons leven aan het wankelen. Het idee, dat we alles konden plannen, dat ons leven maakbaar is, blijkt plotseling niet langer op te gaan. Er is meer leven op aarde dan het menselijke leven. De gevolgen van de klimaatverandering en de inbreuk van het virus op ons bestaan, laten zien dat we maar een schakeltje zijn in een veel groter verband. Het laat ons ook zien dat er misschien wel belangrijker waarden zijn, dan die we tot nu toe belangrijk vonden. In zijn tweede brief aan de custoden schrijft Franciscus:
‘Weet dat er sommige zaken zijn
die in Gods ogen zeer diepzinnig en verheven zijn,
maar soms onder mensen voor waardeloos
en verachtelijk aangezien worden;
en dat er andere zaken zijn
die onder mensen waardevol en hooggeacht zijn,
maar bij God
voor hoogst waardeloos en verachtelijk gehouden worden.’ (2 BrCust 2-3)
Als mensen moeite hebben met het woordje God, raad ik wel eens aan om de laatste letter weg te laten. Dan staat er een uitroep van verbazing ‘Go(h)’. (Die ‘h’ moet ik er helaas bijzetten, omdat velen anders denken, dat er het Engelse ‘go’ staat.) Goh, wat mooi dat ik mag leven. Goddank dat er vrede is. Hoe is het godsmogelijk dat mensen elkaar soms godsgruwelijk naar het leven staan. ‘Goh’ gebruiken we als we met verbazing of verbijstering zijn geslagen. Ten diepste verwijst het ook naar het onzichtbare en onnoembare dat ons leven draagt en waardoor we worden omringd. Met dat onzichtbare hebben we moeite, omdat het ontsnapt aan onze greep. Culturele scheppingen als kunst, poëzie, muziek en wetenschap proberen het onzichtbare te bezweren en zijn daarom voor ons mensen onmisbaar.
onzichtbaar
een ramp, je vinger wijst hem aan, kijk daar
het ingestorte huis de vuurwerkbrand
’t gecrashte toestel en de zee van bloemen
daar wordt herdacht gehuiverd jaar na jaar
maar ’t virus is onzichtbaar en verborgen
in mens of dier, zelfs je geliefde kan
dodelijk zijn, onzichtbaar is de plaats
onzichtbaar de gevolgen en de zorgen
onzichtbaar is het afscheid van de doden
onzichtbaar ’t huiselijk geweld de angst
de sluipende armoede de neuroses
onzichtbaar is de slapeloze nacht
de morgenangst de honger naar een huid
achter de voordeur zoekt men troost bij bach
(Dit gedicht is afkomstig uit Peter Vermaats dichtbundel ‘onderbreking, poëzie als barometer van twee maanden coronacrisis’.)